| |
Wet Beroepen
Individuele Gezonheidszorg
(Tekst
geldend op: 19-05-2003) BRON: http://www.overheid.nl
- 1.
- Er worden registers
ingesteld, waarin degenen die aan de daarvoor bij en
krachtens deze wet gestelde voorwaarden voldoen, op hun
aanvrage worden ingeschreven, onderscheidenlijk als:
arts,
tandarts,
apotheker,
gezondheidszorgpsycholoog,
psychotherapeut,
fysiotherapeut,
verloskundige,
verpleegkundige.
- 2.
- Bij elke inschrijving
worden in het register vermeld de naam, voornamen,
geslacht, geboortedatum, nationaliteit en adres van de
betrokkene en het nummer en het tijdstip van
inschrijving.
- 3.
- Elk register wordt
ingesteld en beheerd door Onze Minister.
- 4.
- De registers worden
ingesteld ten einde te kunnen voldoen aan een verzoek om
informatie als bedoeld in artikel 12 en ten behoeve van
het toezicht op de uitvoering van de artikelen 4 en 17.
- 1.
- Aan degenen die in een
register ingeschreven staan, is het recht voorbehouden
de in artikel 3, eerste lid, aan de hoedanigheid waarin
zij ingeschreven worden, gegeven benaming als titel te
voeren.
- 2.
- Het is degene wie het
recht tot het voeren van een in deze wet geregelde titel
niet toekomt op grond van het eerste lid, verboden deze
titel, een daarop gelijkende benaming dan wel een op die
titel betrekking hebbend onderscheidingsteken,
aangegeven met toepassing van artikel 93 of daarmee in
hoofdzaak overeenstemmend, te voeren.
- 3.
- Zolang een inschrijving
in een register geschorst is, wordt de betrokkene
gelijkgesteld met een niet-ingeschrevene.
- 4.
- Waar in deze wet of in
daarop berustende bepalingen personen met een der in
artikel 3, eerste lid, vermelde benamingen worden
aangeduid, worden, voor zover niet anders blijkt,
daaronder verstaan degenen die in het betrokken register
ingeschreven staan.
- 1.
- Aan de betrokkene wordt
op diens verlangen medegedeeld wat te zijnen aanzien in
het register vermeld staat.
- 2.
- Aan een ieder die zulks
verlangt, wordt medegedeeld:
- a.
- of
een persoon in een register ingeschreven staat;
- b.
- of
de inschrijving van een persoon in een register
geschorst is;
- c.
- of
ten aanzien van een ingeschrevene een maatregel,
inhoudende een gedeeltelijke ontzegging van de
bevoegdheid in het register ingeschreven staande het
betrokken beroep uit te oefenen, van kracht is, met,
zo dit het geval is, een omschrijving van de inhoud
van de maatregel;
- d.
- in
bij algemene maatregel van bestuur aan te geven
gevallen: of ten aanzien van een ingeschrevene
voorwaarden zijn gesteld, met, zo dit het geval is,
een omschrijving van die voorwaarden en, ingeval
deze tot een proeftijd zijn beperkt, een vermelding
van de duur daarvan.
- 3.
- De verstrekking van
mededelingen, bedoeld in het tweede lid, anders dan aan
bestuursorganen en daaronder ressorterende diensten,
geschiedt, voor zover zij schriftelijk plaats vindt,
tegen betaling van een vergoeding volgens een bij
algemene maatregel van bestuur vast te stellen tarief.
- 1.
- Indien door een
organisatie van beoefenaren van een beroep waarop een
register betrekking heeft, een regeling in het leven is
geroepen, welke voorziet in de mogelijkheid aan in dat
register ingeschreven personen die een bijzondere
deskundigheid op krachtens die regeling als specialismen
aangewezen deelgebieden der uitoefening van dat beroep
hebben verworven, vanwege die organisatie een erkenning
als specialist op het betrokken deelgebied te verlenen,
kan Onze Minister bepalen dat de krachtens bedoelde
regeling aan die specialismen onderscheidenlijk
verbonden titels als wettelijk erkende
specialisten-titels worden aangemerkt.
- 2.
- Aan het eerste lid kan
slechts toepassing worden gegeven, indien:
- a.
- de
organisatie de rechtsvorm van een vereniging met
volledige rechtsbevoegdheid bezit en naar het
oordeel van Onze Minister voldoende representatief
is voor de beoefenaren van het betrokken beroep;
- b.
- bij
de regeling erin is voorzien dat geen erkenningen
als specialist worden verleend aan anderen dan
personen die in het register voor het desbetreffende
gebied ingeschreven staan, en anderzijds dat het
verkrijgen van een erkenning niet afhankelijk is van
het lidmaatschap der organisatie;
- c.
- bij
de regeling een orgaan is ingesteld, dat
overeenkomstig het in het derde lid bepaalde
samengesteld is en belast is met het aanwijzen van
specialismen, de regelgeving ter zake van de
opleiding tot specialist en het vaststellen van het
bedrag dat voor de behandeling van de aanvrage tot
erkenning als specialist moet worden betaald;
- d.
- bij
de regeling erin is voorzien dat aan een ieder die
zulks verlangt wordt medegedeeld of een persoon
erkend is als specialist;
- e.
- de
regeling in overeenstemming is met de desbetreffende
in het kader van de Europese Economische Gemeenschap
vastgestelde richtlijnen alsmede met de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte;
- f.
- in
de regeling is bepaald dat de besluiten van het
onder c bedoelde orgaan, de aldaar genoemde
onderwerpen betreffende, de goedkeuring van Onze
Minister behoeven.
- 3.
- Het in het tweede lid,
onder c, bedoelde orgaan moet zodanig zijn samengesteld,
dat daarin in elk geval zitting hebben deskundigen,
deels uit de kring van betrokkenen bij de opleiding tot
het desbetreffende beroep en deels uit de kring der
beoefenaren van het betrokken beroep, als gewoon lid, en
een persoon, aangewezen door Onze Minister, als
adviserend lid.
- 4.
- De in het tweede lid,
onder f, bedoelde goedkeuring kan worden onthouden
wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
- 5.
- Een door Onze Minister
krachtens het eerste lid genomen besluit kan door hem,
de organisatie gehoord, worden ingetrokken, indien:
- a.
- de
organisatie of de door haar in het leven geroepen
regeling aan de in het tweede lid gestelde eisen
niet meer voldoet, of
- b.
- de
regeling niet of naar het oordeel van Onze Minister
niet behoorlijk wordt toegepast.
- 6.
- In de Staatscourant
wordt mededeling gedaan van:
- a.
- de
besluiten van Onze Minister krachtens het eerste,
vierde of vijfde lid;
- b.
- de
door organisaties van beroepsbeoefenaren in het
leven geroepen regelingen ten aanzien waarvan
toepassing is gegeven aan het eerste lid, alsmede de
wijzigingen en aanvullingen daarvan;
- c.
- de
besluiten van het bij zodanige regeling ingestelde
orgaan, bedoeld in het tweede lid, onder c, de
aldaar genoemde onderwerpen betreffende.
- 1.
- Een regeling ten
aanzien waarvan toepassing wordt gegeven aan artikel 14,
eerste lid, kan mede inhouden dat een erkenning als
specialist wordt verleend voor een bij de regeling
bepaalde periode en dat de verlening slechts plaatsvindt
indien degene die de opleiding tot specialist heeft
voltooid gedurende een bij die regeling bepaald tijdvak,
voorafgaande aan de indiening van de aanvrage tot
erkenning, regelmatig op het desbetreffende deelgebied
van de beroepsuitoefening werkzaam is geweest dan wel in
die periode overeenkomstig het bepaalde in die regeling
scholing heeft gevolgd.
- 2.
- Indien in een regeling
toepassing is gegeven aan het eerste lid kunnen in die
regeling:
- a.
- eisen
worden vastgesteld waaraan de werkzaamheden, bedoeld
in het eerste lid, voor de toepassing van dat lid
moeten voldoen;
- b.
- al
dan niet op het gebied van de individuele
gezondheidszorg liggende werkzaamheden worden
aangewezen die voor de toepassing van het eerste lid
worden gelijkgesteld met werkzaamheden op het
desbetreffende deelgebied der beroepsuitoefening.
- 3.
- In gevallen waarin
toepassing is gegeven aan artikel 14, eerste lid, is, de
beroepsorganisatie gehouden van elke erkenning als
specialist en van elke intrekking van zodanige erkenning
opgave te doen aan Onze Minister. Van elke erkenning en
van elke intrekking van een erkenning wordt een
gedagtekende aantekening in het register geplaatst.
Indien een erkenning als specialist is ingetrokken op
grond van een regeling als bedoeld in het eerste lid,
vindt de in de eerste en tweede volzin bedoelde opgave
onderscheidenlijk aantekening alleen plaats indien de
desbetreffende persoon niet binnen vier weken na de
intrekking wederom als specialist is erkend.
- 4.
- Onverminderd hetgeen
ingevolge artikel 12, tweede lid, met betrekking tot de
ingeschrevene geldt, wordt aan een ieder die zulks
verlangt, medegedeeld of de betrokkene is erkend als
specialist.
- 5.
- Doorhaling van een
inschrijving in het register of schorsing van een
inschrijving in het register brengt van rechtswege mee
dat de erkenning van de betrokkene als specialist is
vervallen, onderscheidenlijk dienovereenkomstig
geschorst is. Van elke doorhaling of schorsing wordt
mededeling gedaan aan de betrokken organisatie.
- 1.
- Tot het verrichten van
heelkundige handelingen - waaronder worden verstaan
handelingen, liggende op het gebied van de geneeskunst,
waarbij de samenhang der lichaamsweefsels wordt verstoord
en deze zich niet direct herstelt - zijn bevoegd:
- a.
- de
artsen,
- b.
- de
tandartsen,
- c.
- de
verloskundigen,
doch de onder
b en c genoemde personen uitsluitend voor zover het
betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die
overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde
worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
- 2.
- Tot het verrichten van
verloskundige handelingen zijn bevoegd:
- a.
- de
artsen,
- b.
- de
verloskundigen, doch dezen uitsluitend voor zover het
betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld,
die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III
bepaalde worden gerekend tot hun gebied van
deskundigheid.
- 3.
- Tot het verrichten van
endoscopieën zijn bevoegd:
de artsen.
- 4.
- Tot het verrichten van
catheterisaties zijn bevoegd:
- a.
- de
artsen,
- b.
- de
verloskundigen, doch dezen uitsluitend voor zover het
betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld,
die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III
bepaalde worden gerekend tot hun gebied van
deskundigheid.
- 5.
- Tot het geven van
injekties zijn bevoegd:
- a.
- de
artsen,
- b.
- de
tandartsen,
- c.
- de
verloskundigen,
doch de onder
b en c genoemde personen uitsluitend voor zover het
betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die
overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III bepaalde
worden gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
- 6.
- Tot het verrichten van
punkties zijn bevoegd:
- a.
- de
artsen,
- b.
- de
verloskundigen, doch dezen uitsluitend voor zover het
betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld,
die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III
bepaalde worden gerekend tot hun gebied van
deskundigheid.
- 7.
- Tot het brengen onder
narcose zijn bevoegd:
- a.
- de
artsen,
- b.
- de
tandartsen, doch dezen uitsluitend voor zover het
betreft handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld,
die overeenkomstig het bij of krachtens hoofdstuk III
bepaalde worden gerekend tot hun gebied van
deskundigheid.
- 8.
- Tot het verrichten van
handelingen, op het gebied van de individuele
gezondheidszorg, met gebruikmaking van radioactieve
stoffen of toestellen die ioniserende stralen uitzenden,
zijn bevoegd:
- a.
- de
artsen,
- b.
- de
tandartsen,
doch
uitsluitend voor zover zij voldoen aan de krachtens de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82) ter zake van het gebruiken van zodanige
stoffen en toestellen gestelde eisen, alsmede, voor zover
het betreft tandartsen, uitsluitend voor zover het betreft
handelingen, in de aanhef van dit lid bedoeld, die
overeenkomstig het bij hoofdstuk III bepaalde worden
gerekend tot hun gebied van deskundigheid.
- 9.
- Tot het verrichten van
electieve cardioversie zijn bevoegd:
de artsen.
- 10.
- Tot het toepassen van
defibrillatie zijn bevoegd:
de artsen.
- 11.
- Tot het toepassen van
electroconvulsieve therapie zijn bevoegd:
de artsen.
- 12.
- Tot steenvergruizing voor
geneeskundige doeleinden zijn bevoegd:
de artsen.
- 13.
- Tot het verrichten van
handelingen ten aanzien van menselijke geslachtscellen en
embryo's, gericht op het anders dan op natuurlijke wijze
tot stand brengen van een zwangerschap, zijn bevoegd:
de artsen.
- 14.
- De personen, genoemd in
het eerste tot en met dertiende lid, zijn tot het
verrichten van de desbetreffende handelingen uitsluitend
bevoegd voor zover zij redelijkerwijs mogen aannemen dat
zij beschikken over de bekwaamheid die vereist is voor het
behoorlijk verrichten van die handelingen. De personen,
genoemd in het eerste tot en met het dertiende lid, die
niet voldoen aan het bepaalde in de eerste volzin, worden
voor de toepassing van de artikelen 35, eerste lid, onder
a, 38 en 39 aangemerkt als personen die hun bevoegdheid
ontlenen aan het in dit artikel bepaalde.
- 1.
- Degene die in een
register als bedoeld in artikel 3 staat ingeschreven of
die een beroep uitoefent waarvan de opleiding krachtens
artikel 34, eerste lid, is geregeld of aangewezen, en die
zijn beroep uitoefent anders dan in het kader van een
instelling als bedoeld in de Kwaliteitswet
zorginstellingen, organiseert zijn
beroepsuitoefening op zodanige wijze en voorziet zich
zodanig van materieel, dat een en ander leidt of
redelijkerwijze moet leiden tot verantwoorde zorg.
- 2.
- Het uitvoeren van het
eerste lid omvat mede de systematische bewaking,
beheersing en verbetering van de kwaliteit van de zorg.
- 3.
- Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen, indien het niveau van de uitoefening
van de individuele gezondheidszorg dit vereist, regels
worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van het
eerste en tweede lid.
- 4.
- Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen voorts, indien zulks noodzakelijk is
gebleken ter bevordering van een goede uitoefening van
individuele gezondheidszorg, voor degenen die in een
register als bedoeld in artikel 3 staan ingeschreven of
die een beroep uitoefenen waarvan de opleiding krachtens
artikel 34, eerste lid, is geregeld of aangewezen, regels
worden gesteld inhoudende:
- a.
- een
verplichting in bij de maatregel aangegeven gevallen
van een door hen gegeven behandeling aan een bij de
maatregel aangewezen inspecteur van de volksgezondheid
opgave te doen overeenkomstig regels, bij de maatregel
gesteld;
- b.
- een
verplichting om bij de maatregel aangegeven gegevens
te vermelden op het recept, bedoeld in artikel
1, eerste lid, onder l, van de Wet op de
Geneesmiddelenvoorziening;
- c.
- een
verbod om een overeenkomst die hun bijzondere
voordelen verschaft, aan te gaan met bij de maatregel
aangewezen categorieën van personen;
- d.
- eisen
met betrekking tot de rechten van personen aan wie
gezondheidszorg wordt verleend.
- 1.
- In afwijking van het in
artikel 6, onder a, bepaalde wordt aan een persoon die
niet voldoet aan de ter zake van de genoten opleiding
bij of krachtens hoofdstuk III voor inschrijving in een
register gestelde eisen, inschrijving in het register
deswege niet geweigerd:
- a.
- indien
hij in het buitenland een door Onze Minister
aangewezen getuigschrift heeft verkregen dat geldt
als bewijs van een verworven vakbekwaamheid die
geacht kan worden gelijkwaardig te zijn aan de
vakbekwaamheid welke uit het voldoen aan
vorenbedoelde eisen mag worden afgeleid;
- b.
- indien
Onze Minister, gelet op een door de betrokkene in
het buitenland verkregen getuigschrift, hem op
aanvrage een verklaring heeft afgegeven, inhoudende
dat tegen zijn inschrijving in het register voor wat
zijn vakbekwaamheid betreft geen bedenkingen
bestaan;
- c.
- indien
aan hem ten aanzien van het betrokken beroep een
EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet
erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s dan wel in
de Algemene wet
erkenning EG-beroepsopleidingen is afgegeven.
- 2.
- Onze Minister kan ten
aanzien van een door hem krachtens het eerste lid, onder
a, aangewezen getuigschrift de toepasselijkheid van deze
bepaling op belanghebbenden afhankelijk stellen van de
nationaliteit der betrokkenen, met dien verstande
evenwel dat die bepaling ten aanzien van een aangewezen
getuigschrift van een lid-Staat der Europese Economische
Gemeenschap alsmede van een andere overeenkomstsluitende
staat in elk geval van toepassing dient te zijn op de
onderdanen van de lid-Staten van die gemeenschap.
- 3.
- Bij afgifte van een
verklaring als bedoeld in het eerste lid, onder b, kan
Onze Minister daarin bepalen:
- a.
- dat
de gelet op die verklaring tot stand gekomen
inschrijving in het register op een in de verklaring
aangegeven tijdstip zal worden doorgehaald;
- b.
- dat
de betrokkene, in het register ingeschreven staande,
zijn beroep slechts zal mogen uitoefenen met
inachtneming van in de verklaring omschreven
beperkingen.
- 4.
- Behoudens in bijzondere
gevallen kan een verklaring zonder toepassing van het
derde lid slechts worden afgegeven, indien het door de
betrokkene in het buitenland verkregen getuigschrift
naar het oordeel van Onze Minister kan gelden als bewijs
van verworven vakbekwaamheid die de in het eerste lid,
onder a, bedoelde gelijkwaardigheid bezit.
- 5.
- Onze Minister stelt
voor elk daarvoor in aanmerking komend beroep een
commissie van deskundigen in, die tot taak heeft hem op
zijn verzoek of uit eigen beweging van advies te dienen
inzake de toepassing van dit artikel en ten aanzien van
het afgeven van een EG-verklaring als bedoeld in de
Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma’s dan
wel in de Algemene wet
erkenning EG-beroepsopleidingen. Bij algemene
maatregel van bestuur worden de samenstelling, taak en
werkwijze van de commissie geregeld.
- 6.
- Van een besluit
krachtens het eerste lid, onder a, of het tweede lid,
wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
- 1.
- Onverminderd het in
artikel 6, onder b tot en met d, bepaalde wordt de
inschrijving van een persoon op wie artikel 41 van
toepassing is, geweigerd indien te zijnen aanzien een
maatregel, berustende op een in het buitenland gegeven
rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke
beslissing, van kracht is, op grond waarvan hij zijn
rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken
beroep in het land waar de beslissing gegeven is, geheel
of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, heeft verloren.
- 2.
- Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld, waarbij wordt
bepaald:
- a.
- welke
gegevens of bescheiden bij de aanvrage om een
verklaring als bedoeld in artikel 41, eerste lid,
onder b, aan Onze Minister moeten worden verstrekt
of overgelegd en op welke wijze haar indiening
behoort te geschieden;
- b.
- welke
bewijsstukken omtrent de toepasselijkheid van
artikel 41 aan Onze Minister moeten worden
overgelegd bij de aanvrage om inschrijving in het
register met toepassing van dat artikel.
- 3.
- Onverminderd het in
artikel 7 bepaalde, wordt in gevallen waarin toepassing
werd gegeven aan artikel 41, derde lid, onder a, de
inschrijving van de betrokkene op het daarvoor geldende
tijdstip doorgehaald. Een met toepassing van artikel 41
tot stand gekomen inschrijving wordt voorts doorgehaald
ingeval ten aanzien van de betrokkene omstandigheden als
bedoeld in het eerste lid inmiddels zijn ingetreden of
alsnog bekend geworden.
- 4.
- Bij inschrijving van
een persoon in het register met toepassing van artikel
41 wordt in het register een desbetreffende aantekening
geplaatst, waarbij, ingeval Onze Minister toepassing
heeft gegeven aan het derde lid van dat artikel, tevens
wordt omschreven hetgeen daarbij is bepaald.
- 5.
- Van de totstandkoming
van een inschrijving ten aanzien waarvan toepassing werd
gegeven aan artikel 41, derde lid, wordt op bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen wijze kennisgegeven,
met omschrijving van hetgeen daarbij werd bepaald. Van
een krachtens het derde lid van het onderhavige artikel
verrichte doorhaling van een inschrijving wordt eveneens
op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze
kennisgegeven. In kennisgevingen als bedoeld in het
onderhavige lid worden de naam en de woonplaats van de
betrokkene vermeld.
- 6.
- Onverminderd hetgeen
ingevolge artikel 12, tweede lid, met betrekking tot de
ingeschrevene geldt, wordt aan een ieder die zulks
verlangt, medegedeeld of een inschrijving in het
register met toepassing van artikel 41 is tot stand
gekomen, met, ingeval ten aanzien van de aldus tot stand
gekomen inschrijving toepassing werd gegeven aan het
derde lid van dat artikel, een omschrijving van hetgeen
daarbij werd bepaald.
- 1.
- Ten aanzien van een
onderdaan van een lid-Staat der Europese Economische
Gemeenschap of van een andere overeenkomstsluitende
staat, die buiten Nederland in een der lid-Staten van
die gemeenschap dan wel in een van de andere
overeenkomstsluitende staten gevestigd is als beoefenaar
van een in artikel 3 genoemd beroep en aan de in het
tweede lid omschreven voorwaarden voldoet, blijven ter
zake van de diensten die hij in de uitoefening van dat
beroep verleent aan een persoon hier te lande, buiten
toepassing:
- a.
- het
in artikel 4, tweede lid, gestelde verbod, voor
zover het de titel betreft, waarvan het voeren
voorbehouden is aan degenen die in de op dat beroep
betrekking hebbende hoedanigheid in het
desbetreffende register ingeschreven staan;
- b.
- het
in artikel 35, eerste lid, gestelde verbod, voor
zover het handelingen betreft, waartoe de onder a
bedoelde personen bevoegd zijn.
- 2.
- De in het eerste lid
bedoelde voorwaarden zijn:
- a.
- de
betrokkene dient in een der lid-Staten dan wel in
een van de andere overeenkomstsluitende staten een
op de bekwaamheid tot het uitoefenen van zijn beroep
betrekking hebbend getuigschrift te hebben
verkregen, dat krachtens artikel 41, eerste lid,
onder a, is aangewezen;
- b.
- zijn
rechten ter zake van de uitoefening van zijn beroep
in de lid-Staat onderscheidenlijk een andere
overeenkomstsluitende staat waar hij gevestigd is
mogen aan geen beperkingen krachtens een maatregel
als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderworpen
zijn;
- c.
- de
betrokkene dient aan Onze Minister te hebben gemeld
dat hij als beoefenaar van het desbetreffende beroep
in Nederland diensten verleent en dient de volgende
bescheiden te hebben overgelegd:
- 1°.
- een
bewijsstuk, niet ouder dan twaalf maanden,
waaruit blijkt dat hij de desbetreffende
werkzaamheden in de lid-Staat onderscheidenlijk
de andere overeenkomstsluitende staat waar hij
gevestigd is, wettig uitoefent;
- 2°.
- een
bewijsstuk dat hij het onder a bedoelde
getuigschrift heeft verkregen.
- 3.
- In geval van een
dienstverlening in Nederland, ten aanzien waarvan het
eerste lid van toepassing is, is de betrokkene, indien
de in dat lid, onder a, bedoelde personen aan
tuchtrechtspraak overeenkomstig deze wet onderworpen
zijn, ter zake van hetgeen door hem in het kader van die
dienstverlening wordt verricht, eveneens aan bedoelde
rechtspraak onderworpen en wordt hij ter zake van deze
verrichtingen voor de toepassing van artikel 96 met die
personen gelijkgesteld.
- 1.
- Voor de toepassing van
de artikelen 41, eerste lid, onder a, en tweede lid, en
43, tweede lid, onder a, wordt met een onderdaan van een
lid-Staat der Europese Economische Gemeenschap
onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende
staat, die in het bezit is van een krachtens
eerstgenoemde bepaling aangewezen getuigschrift van een
der lid-Staten van die gemeenschap onderscheidenlijk een
andere overeenkomstsluitende staat, gelijkgesteld de
onderdaan van een lid-Staat onderscheidenlijk een andere
overeenkomstsluitende staat, die vóór een door Onze
Minister vast te stellen tijdstip een op de bekwaamheid
tot het uitoefenen van zijn beroep betrekking hebbend
ander getuigschrift van een der lid-Staten
onderscheidenlijk een andere overeenkomstsluitende staat
heeft verkregen indien hij, blijkens een door een
lid-Staat onderscheidenlijk een andere
overeenkomstsluitende staat afgegeven verklaring, zijn
beroep in de loop van een door Onze Minister aangegeven
tijdvak, aan de afgifte van die verklaring voorafgaande,
tenminste gedurende een door Onze Minister aangegeven
aaneengesloten periode daadwerkelijk en op wettige wijze
heeft uitgeoefend.
- 2.
- Onze Minister kan
bepalen dat het eerste lid van overeenkomstige
toepassing is ten aanzien van een onderdaan van een
lid-Staat der Europese Economische Gemeenschap of van
een andere overeenkomstsluitende staat, die een op de
bekwaamheid tot het uitoefenen van zijn beroep
betrekking hebbend ander getuigschrift van een der
lid-Staten of van een andere overeenkomstsluitende staat
heeft verkregen ter afsluiting van een opleiding
betreffende een door Onze Minister aangewezen beroep,
welke vóór het krachtens het vorige lid vastgestelde
tijdstip is aangevangen en eerst nadien is voltooid.
- 3.
- De krachtens het eerste
lid vast te stellen tijdstippen, tijdvakken en perioden
kunnen voor onderscheidene categorieën van gevallen
verschillend zijn.
- 1.
- Ten aanzien van degenen
- a.
- die
in het buitenland een door Onze Minister aangewezen
getuigschrift hebben verkregen dat geldt als bewijs
van een verworven vakbekwaamheid die geacht kan
worden gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid
welke uit het voldoen aan de desbetreffende
krachtens artikel 34, eerste lid, gestelde eisen mag
worden afgeleid,
- b.
- aan
wie Onze Minister, gelet op een door de betrokkene
in het buitenland verkregen getuigschrift, op
aanvrage een verklaring heeft afgegeven, inhoudende
dat hun vakbekwaamheid gelijkwaardig kan worden
geacht aan de vakbekwaamheid welke uit het voldoen
aan de desbetreffende krachtens artikel 34, eerste
lid, gestelde eisen mag worden afgeleid, of,
- c.
- aan
wie Onze Minister ten aanzien van het betrokken
beroep een EG-verklaring als bedoeld in de Algemene
wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiplopa’s dan wel
in de Algemene wet
erkenning EG-beroepsopleidingen heeft
afgegeven,
blijft het
in artikel 34, vierde lid, gestelde verbod, voor zover
het de titel betreft waarvan het voeren op grond van het
derde lid van dat artikel voorbehouden is aan degenen
die voldoen aan de desbetreffende krachtens artikel 34,
eerste lid, gestelde eisen, buiten toepassing.
- 2.
- Het eerste lid is niet
van toepassing voor zover ten aanzien van de betrokkene
een maatregel, berustende op een in het buitenland
gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of
bestuursrechtelijke beslissing, van kracht is, op grond
waarvan hij zijn rechten ter zake van de uitoefening van
het betrokken beroep in het land waar de beslissing
gegeven is, geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of
blijvend, heeft verloren.
- 3.
- De artikelen 41,
tweede, vijfde en zesde lid, en 42, tweede lid, onder a,
zijn van overeenkomstige toepassing.
- 4.
- Voor de toepassing van
artikel 96, derde lid, wordt met degene die voldoet aan
de krachtens artikel 34, eerste lid, gestelde eisen
gelijkgesteld degene die in het bezit is van een
krachtens het eerste lid, onder a, aangewezen
getuigschrift of aan wie een verklaring als bedoeld in
het eerste lid, onder b, is afgegeven.
- 1.
- Degene die in een der
in het tweede lid vermelde hoedanigheden in een register
ingeschreven staat, is onderworpen aan tuchtrechtspraak
ter zake van:
- a.
- enig
handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij in
die hoedanigheid behoort te betrachten ten opzichte
van:
- 1°.
- degene,
met betrekking tot wiens gezondheidstoestand hij
bijstand verleent of zijn bijstand is
ingeroepen;
- 2°.
- degene
die, in nood verkerende, bijstand met betrekking
tot zijn gezondheidstoestand behoeft;
- 3°.
- de
naaste betrekkingen van de onder 1° en 2°
bedoelde personen;
- b.
- enig
ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die
hoedanigheid in strijd met het belang van een goede
uitoefening van individuele gezondheidszorg.
- 2.
- De in het eerste lid
bedoelde hoedanigheden zijn die van:
arts,
tandarts,
apotheker,
gezondheidszorgpsycholoog,
psychotherapeut,
fysiotherapeut,
verloskundige,
verpleegkundige.
- 3.
- De tuchtrechtspraak
wordt in eerste aanleg uitgeoefend door regionale
tuchtcolleges en in beroep door een centraal
tuchtcollege.
- 4.
- In geval van schorsing
of doorhaling van een inschrijving in het register
blijft de betrokkene ter zake van enig in het eerste lid
bedoeld handelen of nalaten gedurende de tijd dat hij
ingeschreven stond, aan de tuchtrechtspraak onderworpen.
- 1.
- Het berechtende college
kan ten aanzien van een aan de tuchtrechtspraak
onderworpen persoon een van de volgende tuchtrechtelijke
maatregelen opleggen:
- a.
- waarschuwing;
- b.
- berisping;
- c.
- geldboete
van ten hoogste € 4 500;
- d.
- schorsing
van de inschrijving in het register voor ten hoogste
één jaar;
- e.
- gedeeltelijke
ontzegging van de bevoegdheid in het register
ingeschreven staande het betrokken beroep uit te
oefenen;
- f.
- doorhaling
van de inschrijving in het register.
- 2.
- De maatregelen, bedoeld
in het eerste lid, onder c en d, kunnen ook gezamenlijk
worden opgelegd en gelden alsdan voor de toepassing van
de aanhef van het eerste lid en van artikel 69, tweede
lid, als één maatregel.
- 3.
- In gevallen waarin de
berechting plaatsvindt met toepassing van artikel 47,
vierde lid, kan, in plaats van de in het eerste lid van
het onderhavige artikel, onder f, bedoelde maatregel,
als maatregel worden opgelegd een ontzegging van het
recht wederom in het register te worden ingeschreven.
- 4.
- Opgelegde geldboeten
komen ten bate van de Staat. Bij het opleggen van een
geldboete kunnen twee of meer termijnen worden
vastgesteld, waarin zij moet worden voldaan.
- 5.
- De maatregelen van
schorsing en van doorhaling van de inschrijving in het
register worden vanwege Onze Minister ten uitvoer
gelegd.
- 6.
- Schorsing van de
inschrijving in het register kan voorwaardelijk worden
opgelegd en wordt alsdan niet ten uitvoer gelegd dan
nadat het college dat de maatregel heeft opgelegd, zulks
heeft gelast op grond dat de betrokkene binnen een bij
die oplegging te bepalen proeftijd van ten hoogste twee
jaar een gestelde voorwaarde niet is nagekomen.
- 7.
- Een maatregel als
bedoeld in het eerste lid, onder c, d of f, kan niet ten
uitvoer worden gelegd zolang de beslissing waarbij hij
is opgelegd, niet onherroepelijk is geworden. Een
maatregel als in dat lid, onder e, of in het derde lid
bedoeld, wordt eerst bij het onherroepelijk worden van
de desbetreffende beslissing van kracht, tenzij het
college, indien het belang van de bescherming van de
individuele gezondheidszorg zulks vordert, bij zijn
beslissing heeft bepaald dat hij onmiddellijk van kracht
wordt. Bij toepassing van het zesde lid gaat de in dat
lid bedoelde proeftijd eerst bij het onherroepelijk
worden van de desbetreffende beslissing in.
- 8.
- Bij het opleggen van de
maatregel van doorhaling van de inschrijving kan het
college tevens, indien het belang van de bescherming van
de individuele gezondheidszorg zulks vordert, bij wijze
van voorlopige voorziening, schorsing van de
inschrijving opleggen. Deze voorziening wordt terstond
van kracht en wordt vanwege Onze Minister onverwijld ten
uitvoer gelegd; de inschrijving blijft geschorst totdat
de beslissing tot doorhaling van de inschrijving
onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is
vernietigd.
- 9.
- Een tot schorsing
strekkende maatregel of voorlopige voorziening wordt ten
uitvoer gelegd door het plaatsen van een aantekening van
de schorsing in het register overeenkomstig het bepaalde
in artikel 9.
- 1.
- Degene aan wie een
boete als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onder c, is
opgelegd, wordt door een door Onze Minister aan te
wijzen ambtenaar bij gedagtekende brief uitgenodigd de
verschuldigde geldboete binnen de gestelde termijn dan
wel met inachtneming van de gestelde termijnen te
betalen.
- 2.
- Indien de schuldenaar
niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de
ambtenaar hem schriftelijk aan om alsnog binnen tien
dagen na dagtekening van de aanmaning te betalen.
- 3.
- Indien de schuldenaar
na de aanmaning in gebreke blijft, kan de invordering
van de verschuldigde geldboete en de aanmaningskosten
geschieden bij een door de ambtenaar uit te vaardigen
dwangbevel.
- 4.
- De betekening en de
tenuitvoerlegging van een dwangbevel geschieden door de
zorg van de ontvanger, bedoeld in de ontvanger, bedoeld
in artikel 2, eerste
lid, onderdeel i, van de Invorderingswet 1990 en
door de belastingdeurwaarder, bedoeld in artikel
2, eerste lid, onder j, van die wet met
toepassing van de artikelen
13 en 14 van
die wet.
- 5.
- Zolang de ontvanger met
de zorg voor de invordering is belast, kan hij een
vordering doen op grond van artikel
19 van de Invorderingswet 1990 alsmede verrekenen
op grond van artikel 24 van die wet.
- 6.
- De ontvanger kan zolang
hij met de zorg voor de invordering is belast onder door
hem te stellen voorwaarden aan een schuldenaar voor een
bepaalde tijd schriftelijk uitstel van betaling
verlenen. Gedurende het uitstel wordt de
dwanginvordering geschorst. Het uitstel kan tussentijds
schriftelijk worden beëindigd.
- 7.
- Met betrekking tot het
verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is artikel
17 van de Invorderingswet 1990 van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in dat
artikel voor "de ontvanger die het dwangbevel heeft
uitgevaardigd" telkens moet worden gelezen: de met
de tenuitvoerlegging van het dwangbevel belaste
ontvanger.
- 8.
- De kosten van aanmaning
en van verdere vervolging worden berekend op de voet van
de Kostenwet
invordering rijksbelastingen (Stb. 1969, 83). De artikelen
6 en 7 van de Invorderingswet 1990 zijn van
overeenkomstige toepassing.
- 1.
- In gevallen waarin een
der in artikel 48, eerste lid, onder e en f, en derde
lid, omschreven maatregelen is opgelegd, kan, zo
bijzondere omstandigheden zulks wettigen, bij koninklijk
besluit worden bepaald dat de betrokkene in de hem
ontzegde bevoegdheid wordt hersteld, onderscheidenlijk
dat hij, tenzij een buiten de opgelegde maatregel
staande weigeringsgrond aanwezig blijkt, wederom in het
register zal kunnen worden ingeschreven.
- 2.
- In een besluit
krachtens het eerste lid kunnen, al dan niet met een
beperking tot een in dat besluit te bepalen proeftijd,
voorwaarden worden gesteld, door de betrokkene, in het
register ingeschreven staande, in acht te nemen. Indien
blijkt dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan
niet-naleving van een gestelde voorwaarde, kan, onder
intrekking van dat besluit, bij koninklijk besluit
worden bepaald dat de opgelegde maatregel opnieuw van
kracht wordt. In een besluit krachtens het eerste lid,
dat aan betrokkene het recht verleent wederom in het
register te worden ingeschreven, kan ook worden bepaald
dat dit recht eerst zal ingaan zodra de betrokkene aan
vooraf te vervullen bijzondere voorwaarden, in dat
besluit omschreven, zal hebben voldaan.
- 3.
- De voordracht tot een
besluit krachtens het eerste of tweede lid, tweede
volzin, wordt gedaan door Onze Ministers. Alvorens
zodanige voordracht wordt gedaan, wint Onze Minister het
advies in van het tuchtcollege dat de maatregel heeft
opgelegd.
- 1.
- Een regionaal
tuchtcollege telt twee rechtsgeleerde leden van wie één
tevens voorzitter is, alsmede, voor elk van de in
artikel 47, tweede lid, aangegeven categorieën van aan
tuchtrechtspraak onderworpen personen, drie
leden-beroepsgenoten. Van het college maken mede deel
uit plaatsvervangende rechtsgeleerde leden, benevens
voor elk van de in de eerste volzin bedoelde categorieën,
plaatsvervangende leden-beroepsgenoten.
- 2.
- Aan de behandeling van
een zaak wordt deelgenomen door de voorzitter, door het
andere rechtsgeleerde lid en door de drie
leden-beroepsgenoten, benoemd voor de categorie waartoe
degene over wie is geklaagd, behoort, een en ander met
de mogelijkheid van plaatsvervanging. In afwijking van
het bepaalde in de eerste volzin kan de voorzitter
bepalen dat aan de behandeling van een zaak die hem
daartoe geschikt voorkomt, wordt deelgenomen door de
voorzitter en door twee leden-beroepsgenoten, benoemd
voor de categorie waartoe degene over wie is geklaagd,
behoort, een en ander met de mogelijkheid van
plaatsvervanging. Indien de zaak naar het oordeel van
een van deze leden ongeschikt is voor behandeling
overeenkomstig het bepaalde in de tweede volzin, wordt
de behandeling voortgezet met toepassing van de eerste
volzin.
- 3.
- De voorzitter en zijn
plaatsvervanger of zijn plaatsvervangers worden bij
koninklijk besluit op voordracht van Onze Ministers voor
het leven benoemd. Op hun verzoek wordt hun bij
koninklijk besluit tussentijds ontslag verleend. Hun
wordt in ieder geval ontslag verleend met het bereiken
van de zeventigjarige leeftijd. Artikel
48, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke
organisatie is te hunnen aanzien van
overeenkomstige toepassing.
- 4.
- De overige leden en
plaatsvervangende leden worden bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Minister voor de tijd van zes jaar
benoemd. Zij zijn herbenoembaar. Op hun verzoek wordt
hun bij koninklijk besluit tussentijds ontslag verleend.
Hun wordt in ieder geval ontslag verleend met het
bereiken van de zeventigjarige leeftijd. Artikel
48, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke
organisatie is ten aanzien van de in de eerste
volzin bedoelde personen, voor zover zij rechtsgeleerden
zijn, van overeenkomstige toepassing. De
leden-beroepsgenoten en de plaatsvervangende
leden-beroepsgenoten worden benoemd uit personen die
ingeschreven staan in het desbetreffende register.
- 5.
- Het college heeft een
secretaris en één of meer plaatsvervangende
secretarissen, allen rechtsgeleerden. Zij worden bij
koninklijk besluit op voordracht van Onze Ministers
benoemd, geschorst en ontslagen.
- 1.
- Het centrale
tuchtcollege telt drie rechtsgeleerde leden van wie één
tevens voorzitter is, alsmede, voor elk van de in
artikel 47, tweede lid, aangegeven categorieën van aan
tuchtrechtspraak onderworpen personen, twee
leden-beroepsgenoten. Van het college maken mede deel
uit plaatsvervangende rechtsgeleerde leden, benevens
voor elk van de in de eerste volzin bedoelde categorieën,
plaatsvervangende leden-beroepsgenoten.
- 2.
- Aan de behandeling van
een zaak wordt deelgenomen door de voorzitter, door de
twee andere rechtsgeleerde leden en door de twee
leden-beroepsgenoten, benoemd voor de categorie waartoe
degene over wie is geklaagd, behoort, een en ander met
de mogelijkheid van plaatsvervanging.
- 3.
- Ten aanzien van de
benoeming en het ontslag van de voorzitter en zijn
plaatsvervanger of zijn plaatsvervangers en van de
overige leden en plaatsvervangende leden is artikel 55,
derde onderscheidenlijk vierde lid, van overeenkomstige
toepassing.
- 4.
- Artikel 55, vijfde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
- 1.
- De voorzitter van een
tuchtcollege kan ten aanzien van twee of meer met elkaar
samenhangende zaken bepalen dat zij door het college ter
terechtzitting gezamenlijk worden behandeld.
- 2.
- Ingeval in deze zaken
degenen over wie is geklaagd, tot verschillende in
artikel 47, tweede lid, aangegeven categorieën behoren,
wordt aan het onderzoek ter terechtzitting door het
ingevolge artikel 55, tweede lid, onderscheidenlijk
artikel 56, tweede lid, vereiste aantal
leden-beroepsgenoten of plaatsvervangende
leden-beroepsgenoten van elk van de betrokken categorieën
deelgenomen.
- 3.
- Ingeval is geklaagd
over een arts ter zake van verrichtingen op het gebied
van de uitoefening der artsenijbereidkunst, wordt in het
tuchtcollege ten minste één der plaatsen, bij artikel
55, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 56, tweede
lid, toegewezen aan leden-beroepsgenoten, vervuld door
een lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend
lid-beroepsgenoot, die op grond van de Wet
op de Geneesmiddelenvoorziening (Stb. 1958, 408)
bevoegd is mede de artsenijbereidkunst uit te oefenen.
- 1.
- Doorhaling van zijn
inschrijving in het desbetreffende register, schorsing
van die inschrijving ingevolge toepassing van artikel
48, eerste lid, onder d, alsook het onherroepelijk
worden van een beslissing waarbij te zijnen aanzien een
van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 48, eerste
lid, onder e, en 80, eerste lid, onder a en b, is
opgelegd, heeft voor een lid-beroepsgenoot of
plaatsvervangend lid-beroepsgenoot van een regionaal
tuchtcollege of van het centrale tuchtcollege tot gevolg
dat zijn functie bij dat college van rechtswege een
einde neemt.
- 2.
- Een nog niet
onherroepelijk geworden beslissing tot oplegging te
zijnen aanzien van een van de in artikel 48, eerste lid,
onder e en f, bedoelde maatregelen heeft, indien zij is
gegeven met toepassing van het aan het slot van de
tweede volzin van het zevende lid of het in het achtste
lid van dat artikel bepaalde, voor een lid-beroepsgenoot
of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot van een regionaal
tuchtcollege of van het centrale tuchtcollege tot gevolg
dat hij in zijn functie bij dat college van rechtswege
is geschorst.
- 3.
- Een nog niet
onherroepelijk geworden beslissing tot oplegging te
zijnen aanzien van een van de in artikel 80, eerste lid,
bedoelde maatregelen heeft, indien zij is gegeven met
toepassing van het aan het slot van het derde lid of het
in het vijfde lid van dat artikel bepaalde, voor een
lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot
van een regionaal tuchtcollege of van het centrale
tuchtcollege tot gevolg dat hij in zijn functie bij dat
college van rechtswege is geschorst.
Het in de artikelen
46c, tweede en derde lid, 46d,
tweede lid, 46f, 46g, eerste en tweede lid, 46i, met uitzondering van
het eerste lid, onderdeel c, 46j, 46l, eerste lid, aanhef en
onderdelen a en c, en derde lid, 46m, 46o en 46p,
eerste tot en met vijfde lid, van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren bepaalde is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de leden en de
plaatsvervangende leden van de regionale tuchtcolleges en
van het centrale tuchtcollege, met dien verstande dat de in
het vijfde lid van artikel
46p bedoelde mededeling te hunnen aanzien eveneens
wordt gedaan aan Onze Minister.
- 1.
- De leden, de
plaatsvervangende leden, de secretarissen en de
plaatsvervangende secretarissen van de tuchtcolleges
ontvangen een vacatiegeld, alsmede vergoeding van reis-
en verblijfkosten en van verdere verschotten, een en
ander overeenkomstig door Onze Minister te stellen
regels.
- 2.
- In de daarvoor in
aanmerking komende gevallen kan bij koninklijk besluit,
in afwijking van het eerste lid, aan de voorzitter, een
ander lid of plaatsvervangend lid dat met toepassing van
artikel 66, eerste lid, tweede volzin, vooronderzoek
verricht, of de secretaris van een tuchtcollege een
salaris worden toegekend op een bij dat besluit te
bepalen voet. In dat geval geniet de betrokkene
bovendien een tijdelijke toelage voor kinderen, een
vakantieuitkering, een ziektekostenvergoeding, een
vergoeding van reis- en verblijfkosten, een vergoeding
van verplaatsingskosten, alsmede een spaarpremie,
overeenkomstig de bepalingen welke te dien aanzien voor
de burgerlijke rijksambtenaren bij de ministeries zijn
of zullen worden vastgesteld.
- 1.
- Een zaak wordt in
eerste aanleg bij het bevoegde regionale tuchtcollege
aanhangig gemaakt door een schriftelijke klacht van:
- a.
- een
rechtstreeks belanghebbende;
- b.
- degene
die aan degene over wie wordt geklaagd, een opdracht
heeft verstrekt;
- c.
- degene
bij wie of het bestuur van een instelling waarbij
degene over wie wordt geklaagd, werkzaam of voor het
verlenen van individuele gezondheidszorg
ingeschreven is;
- d.
- de
hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het
Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de
aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde
belangen aangaat.
- 2.
- De inhoud van het
klaagschrift moet voldoen aan de daaromtrent bij
algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.
- 3.
- Degene die het
vooronderzoek verricht kan, indien de zaak hem daartoe
geschikt voorkomt, bij het horen van de klager en degene
over wie is geklaagd, een minnelijke oplossing
beproeven.
- 4.
- Indien een minnelijke
oplossing mogelijk blijkt, wordt deze op schrift gesteld
en door de klager en degene over wie is geklaagd,
ondertekend. Met een aldus vastgestelde minnelijke
oplossing geeft de klager te kennen zijn klacht in te
trekken.
- 5.
- De bevoegdheid tot het
indienen van een klaagschrift vervalt door verjaring in
tien jaren. De termijn van verjaring van aan op de dag
na die waarop het desbetreffende handelen of nalaten is
geschied.
- 6.
- Indien naar zijn
oordeel de behandeling van de zaak door het tuchtcollege
geen uitstel gedoogt zonder groot nadeel voor het belang
van de bescherming van de individuele gezondheidszorg,
verzoekt de in het eerste lid, onder d, bedoelde
inspecteur het tuchtcollege de zaak met spoed te
behandelen.
- 7.
- Nadat een klaagschrift
is ingediend, zendt de voorzitter van het college een
afschrift daarvan aan degene over wie is geklaagd.
- 8.
- De hoofdinspecteur of
de regionale inspecteur is verplicht ter zake van door
hem ingediende klaagschriften aan de ambtenaren van het
openbaar ministerie de door hen gevraagde inlichtingen
te verstrekken. De hoofdinspecteur of de regionale
inspecteur kan de in de eerste volzin bedoelde
ambtenaren ook uit eigen beweging ter zake inlichten.
- 9.
- De klager en degene
over wie is geklaagd, kunnen zich doen vertegenwoordigen
door een gemachtigde en zich doen bijstaan door een
raadsman. De gemachtigde moet, desgevraagd, zijn
bevoegdheid aantonen door het overleggen van een
schriftelijke volmacht. Advocaten en procureurs, als
gemachtigden optredende, zijn tot deze overlegging niet
gehouden. De voorzitter van het regionale tuchtcollege
kan slechts weigeren een persoon die geen advocaat of
procureur is als gemachtigde of als raadsman toe te
laten, indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat door
de toelating van die persoon een behoorlijke uitoefening
van de rechtspraak zal worden belemmerd. De weigering
wordt door de voorzitter schriftelijk gemotiveerd.
- 10.
- In geval van intrekking
van de klacht wordt de behandeling daarvan gestaakt,
tenzij degene over wie is geklaagd, schriftelijk heeft
verklaard voortzetting van de behandeling te verlangen,
het tuchtcollege heeft beslist dat de behandeling van de
klacht om redenen, aan het algemeen belang ontleend,
moet worden voortgezet of het tuchtcollege het onderzoek
van de zaak op de terechtzitting reeds heeft beëindigd.
- 11.
- Indien degene over wie
is geklaagd, overlijdt, wordt de behandeling van de
klacht gestaakt.
- 1.
- Na verzending van het
afschrift, bedoeld in artikel 65, zevende lid, gelast de
voorzitter van het regionale tuchtcollege een
vooronderzoek. De voorzitter draagt het vooronderzoek op
aan een of meer leden of plaatsvervangende leden of aan
de secretaris of plaatsvervangend secretaris van het
regionale tuchtcollege.
- 2.
- Het vooronderzoek kan
zich mede uitstrekken tot andere dan in het klaagschrift
vermelde feiten en omstandigheden. Degene die door de
voorzitter op grond van het eerste lid is aangewezen om
het vooronderzoek te verrichten stelt de klager en
degene over wie is geklaagd, in de gelegenheid door hem
te worden gehoord. Hij kan de betrokken regionale
inspecteur, alsmede getuigen en deskundigen horen; ten
aanzien van de getuigen en deskundigen is artikel 68 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
oproeping, het verzoek tot dagvaarding en het doen
afleggen van de eed of belofte geschieden door degene
die het vooronderzoek verricht.
- 3.
- Bij de vervulling van
de hem op grond van het eerste en het tweede lid
toekomende taak is degene die het vooronderzoek verricht
bevoegd, vergezeld van de door hem aangewezen personen,
elke plaats te betreden teneinde een onderzoek te
verrichten waarvan het uitvoeren ter betrokken plaatse
door hem noodzakelijk wordt geoordeeld. Ingeval tijdens
zodanig onderzoek de orde wordt verstoord of hem
tegenstand wordt geboden, kan degene die het
vooronderzoek verricht de hulp van de sterke arm
inroepen. De voorzitter van het regionale tuchtcollege
is bevoegd een machtiging als bedoeld in artikel
2 van de Algemene wet op het binnentreden te
geven.
- 4.
- Indien tijdens het
vooronderzoek blijkt dat de klacht afkomstig is van een
tot klagen niet bevoegde, dat het klaagschrift niet
voldoet aan de krachtens artikel 65, tweede lid,
gestelde eisen, dat de klacht kennelijk ongegrond is of
dat de klacht van onvoldoende gewicht is, kan het
college op voorstel van degene die het vooronderzoek
heeft verricht, zonder verder onderzoek, in raadkamer,
een eindbeslissing geven, welke in het eerste en tweede
geval tot het niet-ontvankelijk verklaren van klager en
in het derde en vierde geval tot het afwijzen van de
klacht strekt. De eindbeslissing is met redenen omkleed
en wordt op schrift gesteld.
- 5.
- Indien geen toepassing
is gegeven aan het vierde lid, wordt het vooronderzoek
gesloten met verwijzing naar een terechtzitting.
- 6.
- Tijdens de behandeling
van een zaak op de terechtzitting kan het regionale
tuchtcollege degene die het vooronderzoek heeft verricht
opdragen alsnog een aanvullend onderzoek in te stellen.
Het tweede en derde lid zijn te dezen van
overeenkomstige toepassing. Het aanvullend onderzoek
wordt gesloten door de zaak wederom naar een
terechtzitting te verwijzen.
- 7.
- Een lid of
plaatsvervangend lid van het tuchtcollege, dat met
toepassing van het eerste lid, tweede volzin, een
vooronderzoek in een zaak heeft verricht, neemt, op
straffe van nietigheid, geen deel aan de behandeling van
die zaak op de terechtzitting.
- 1.
- Het regionale
tuchtcollege kan getuigen en deskundigen ter
terechtzitting oproepen en horen. Ieder die als getuige
of deskundige is opgeroepen, is verplicht aan de
oproeping gevolg te geven.
- 2.
- De klager en degene
over wie is geklaagd, kunnen getuigen en deskundigen ter
terechtzitting uitnodigen of bij deurwaardersexploit
oproepen; in geval van oproeping gelden voor hen
dezelfde verplichtingen als voor getuigen en
deskundigen, opgeroepen door het tuchtcollege.
- 3.
- Verschijnt een getuige
of een deskundige op de oproeping niet, dan doet de
officier van justitie op verzoek van het college hem
dagvaarden, desverzocht met bevel tot medebrenging. Artikel
556 van het Wetboek van Strafvordering (Stb.
1925, 343), de tweede volzin van het eerste lid en de
tweede volzin van het vierde lid zijn van
overeenkomstige toepassing.
- 4.
- De voorzitter van het
college doet de getuigen de eed of belofte afleggen dat
zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen
zeggen. De getuigen en deskundigen zijn verplicht op de
gestelde vragen te antwoorden, onderscheidenlijk de van
hen gevorderde diensten te verlenen. De deskundigen zijn
gehouden hun taak onpartijdig en naar beste weten te
verrichten.
- 5.
- Ten aanzien van de
getuigen en deskundigen zijn de artikelen
217 tot en met 219
van het Wetboek van Strafvordering van
overeenkomstige toepassing.
- 6.
- De getuigen en
deskundigen, opgeroepen door het tuchtcollege,
ontvangen, desverkiezende op vertoon van hun oproeping
of dagvaarding, uit ’s Rijks kas schadeloosstelling,
door de voorzitter van het college te begroten
overeenkomstig het bij of krachtens de Wet
tarieven in burgerlijke zaken (Stb. 1843, 41)
bepaalde. De voorzitter begroot op overeenkomstige wijze
de schadeloosstelling voor getuigen en deskundigen,
opgeroepen of uitgenodigd ingevolge het tweede lid,
welke ten laste komt van degene door wie zij zijn
opgeroepen of uitgenodigd. Deurwaarders ontvangen voor
de werkzaamheden verricht ingevolge het tweede lid, van
hun opdrachtgever een vergoeding overeenkomstig de
bepalingen van het tarief van justitie-kosten en
salarissen in burgerlijke zaken.
- 1.
- Het regionale
tuchtcollege behandelt de zaak in een openbare
terechtzitting. Het college kan evenwel om gewichtige
redenen bepalen dat de behandeling geheel of
gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaatsvinden.
- 2.
- Een beslissing,
strekkende tot het opleggen van een der in artikel 48,
eerste en derde lid, omschreven maatregelen, wordt in
het openbaar uitgesproken. Ten aanzien van een
beslissing van een andere dan in de eerste volzin
aangegeven strekking kan het college om redenen, aan het
algemeen belang ontleend, bepalen dat zij in het
openbaar wordt uitgesproken, met dien verstande dat
zodanige beslissing in elk geval in het openbaar wordt
uitgesproken indien de zaak in een openbare
terechtzitting is behandeld.
- 3.
- Bij de openbare
uitspraak van een beslissing worden de naam, de
voornamen, de hoedanigheid en de woonplaats van de bij
de zaak betrokken patiënt, van de klager en van de
getuigen weggelaten.
- 4.
- Tijd en plaats van een
openbare terechtzitting of openbare uitspraak worden
overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te
stellen regels bekend gemaakt.
- 1.
- Van de eindbeslissing
van het regionale tuchtcollege wordt, binnen een week na
de uitspraak daarvan, een afschrift gezonden aan:
- a.
- de
klager;
- b.
- degene
over wie is geklaagd;
- c.
- de
hoofdinspecteur en de regionale inspecteur van het
Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de
aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde
belangen aangaat;
- d.
- de
secretaris van het centrale tuchtcollege;
- e.
- Onze
Minister van Defensie, ingeval de beslissing
betrekking heeft op een persoon die militair is.
- 2.
- Van een eindbeslissing
waarbij een der in artikel 48, eerste lid, onder d, e en
f, en derde lid, omschreven maatregelen is opgelegd,
wordt voorts binnen een week na de uitspraak daarvan een
afschrift gezonden aan Onze Minister.
- 1.
- Tegen een
eindbeslissing van het regionale tuchtcollege kan binnen
zes weken na de dag van verzending van het afschrift van
die beslissing bij het centrale tuchtcollege beroep
worden ingesteld door:
- a.
- de
klager, voor zover zijn klacht is afgewezen, of voor
zover hij niet-ontvankelijk is verklaard;
- b.
- degene
over wie is geklaagd;
- c.
- de
in artikel 65, eerste lid, onder d, bedoelde
hoofdinspecteur en regionale inspecteur.
- 2.
- Het beroep wordt
schriftelijk ingesteld. De inhoud van het beroepschrift
moet voldoen aan de daaromtrent bij algemene maatregel
van bestuur te stellen eisen.
- 3.
- Wanneer het
beroepschrift na afloop van de termijn, bedoeld in het
eerste lid, is ingediend, blijft
niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege,
indien de indiener aantoont dat hij het beroep heeft
ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon
worden.
- 4.
- Het centrale
tuchtcollege kan degene die beroep heeft ingesteld
niet-ontvankelijk verklaren, het beroep verwerpen of het
beroep gegrond verklaren.
- 5.
- Indien het centrale
tuchtcollege het beroep gegrond verklaart dan wel bij de
behandeling van het beroep op andere dan de in het
beroepschrift aangevoerde gronden tot het oordeel komt
dat de in eerste aanleg gegeven beslissing niet kan
worden gehandhaafd, vernietigt het deze beslissing en
doet de zaak alsdan zelf af.
- 6.
- Indien tegen de
eindbeslissing van het regionale tuchtcollege door twee
of meer personen beroep is ingesteld en tenminste twee
van hen ontvankelijk zijn, worden deze beroepen
gezamenlijk behandeld.
- 7.
- Artikel 65, achtste tot
en met elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
- 1.
- Indien een
beroepschrift afkomstig is van een persoon die niet
bevoegd is tot het instellen van beroep, niet tijdig is
ingediend of niet voldoet aan de krachtens artikel 73,
tweede lid, gestelde eisen, kan het centrale
tuchtcollege op voorstel van de voorzitter zonder verder
onderzoek, in raadkamer, een beslissing geven, welke
strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van degene
die het beroep heeft ingesteld. De beslissing is met
redenen omkleed en wordt op schrift gesteld. In andere
dan in de eerste volzin bedoelde gevallen kan de
voorzitter, alvorens de zaak naar een terechtzitting te
verwijzen, een vooronderzoek op de voet van het in
artikel 66, tweede en derde lid, bepaalde gelasten.
- 2.
- Op de behandeling in
beroep zijn de artikelen 66, zesde en zevende lid, en 67
tot en met 72, met uitzondering van het tweede lid van
artikel 70, van overeenkomstige toepassing.
- 3.
- Het centrale
tuchtcollege kan het regionale tuchtcollege dat de
beslissing waartegen beroep is ingesteld, heeft gegeven,
uitnodigen inlichtingen te verstrekken.
- 4.
- Het centrale
tuchtcollege kan mede oordelen over onderdelen van de
beslissing van het regionale tuchtcollege, waartegen in
het beroepschrift geen bezwaren zijn aangevoerd.
- 5.
- Indien alleen degene
over wie is geklaagd, beroep heeft ingesteld, kan het
centrale tuchtcollege slechts met eenparigheid van
stemmen een beslissing geven die een wijziging te zijnen
nadele brengt in hetgeen door het regionale tuchtcollege
was beslist.
- 6.
- Een beslissing van het
centrale tuchtcollege waarbij een der in artikel 48,
eerste en derde lid, omschreven maatregelen wordt
opgelegd of gehandhaafd, wordt in het openbaar
uitgesproken.
- 7.
- Ten aanzien van een
beslissing van een andere dan in het zesde lid
aangegeven strekking kan het centrale tuchtcollege om
redenen, aan het algemeen belang ontleend, bepalen dat
zij in het openbaar wordt uitgesproken, met dien
verstande dat zodanige beslissing in elk geval in het
openbaar wordt uitgesproken indien de beslissing van het
regionale tuchtcollege, waartegen beroep is ingesteld,
in het openbaar werd uitgesproken of de zaak in beroep
in een openbare terechtzitting is behandeld.
- 8.
- Een afschrift van de
beslissing van het centrale tuchtcollege wordt mede
toegezonden aan het regionale tuchtcollege dat in eerste
aanleg besliste.
- 1.
- Er is een college van
medisch toezicht, dat gevestigd is te 's-Gravenhage.
- 2.
- Het college is bevoegd in
gevallen waarin de in het derde lid bedoelde inspecteur
een voordracht ter zake heeft gedaan, een voorziening te
treffen, ertoe strekkende een persoon die in een register
ingeschreven staat, uit dat register te doen verwijderen
dan wel diens uitoefening van het betrokken beroep met
bijzondere waarborgen te omkleden, indien hij wegens zijn
geestelijke of lichamelijke gesteldheid of wegens zijn
gewoonte van drankmisbruik of van misbruik van middelen,
bedoeld in de artikelen
2 en 3 van de Opiumwet (Stb. 1976, 425), moet
worden geacht de geschiktheid tot het uitoefenen dan wel
tot het zonder zodanige waarborgen uitoefenen van dat
beroep te missen.
- 3.
- Een voordracht, bedoeld
in het tweede lid, wordt gedaan door de inspecteur van het
hiertoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
onderdeel van het staatstoezicht op de volksgezondheid,
die bevoegd is ter plaatse waar degene op wie de
voordracht betrekking heeft, zijn beroep uitoefent. Bij
algemene maatregel van bestuur kan tevens worden bepaald
dat deze inspecteur in bij de maatregel omschreven
gevallen tot het doen van een voordracht niet mag overgaan
dan na overleg met een of meer andere inspecteurs van het
Staatstoezicht op de volksgezondheid, bij de maatregel
aangewezen.
- 1.
- Een voorziening, bedoeld
in artikel 79, tweede lid, kan bestaan in het opleggen van
een der volgende maatregelen ten aanzien van de
betrokkene:
- a.
- binding
van de bevoegdheid in het register ingeschreven
staande het betrokken beroep uit te oefenen aan
bijzondere voorwaarden;
- b.
- gedeeltelijke
ontzegging van de bevoegdheid in het register
ingeschreven staande het betrokken beroep uit te
oefenen;
- c.
- doorhaling
van de inschrijving in het register.
- 2.
- De maatregelen, bedoeld
in het eerste lid, onder a en b, kunnen ook gezamenlijk
worden opgelegd.
- 3.
- Een maatregel, bedoeld in
het eerste lid, onder a of b, wordt eerst van kracht bij
het onherroepelijk worden van de beslissing waarbij hij is
opgelegd, tenzij het college bij zijn beslissing heeft
bepaald dat hij onmiddellijk van kracht wordt.
- 4.
- De maatregel van
doorhaling van de inschrijving in het register wordt
vanwege Onze Minister ten uitvoer gelegd zodra de
beslissing waarbij hij is opgelegd, onherroepelijk is
geworden.
- 5.
- Bij het opleggen van de
maatregel van doorhaling van de inschrijving kan het
college tevens, bij wijze van voorlopige voorziening,
schorsing van de inschrijving opleggen. Deze voorziening
wordt terstond van kracht en wordt vanwege Onze Minister
onverwijld ten uitvoer gelegd; de inschrijving blijft
geschorst totdat de beslissing tot doorhaling van de
inschrijving onherroepelijk is geworden dan wel in beroep
is vernietigd. Artikel 48, negende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
- 1.
- Ingeval de omstandigheden
op grond waarvan een maatregel, bedoeld in artikel 80,
eerste lid, onder a, b of c, was opgelegd, hebben
opgehouden te bestaan, kan bij koninklijk besluit worden
bepaald dat de voorwaarden die de betrokkene bij die
maatregel werden gesteld, komen te vervallen, dat hij in
de hem ontzegde bevoegdheid wordt hersteld,
onderscheidenlijk dat hij, tenzij een buiten de opgelegde
maatregel staande weigeringsgrond aanwezig blijkt, wederom
in het register zal kunnen worden ingeschreven. In
laatstbedoeld geval kan bij dat besluit worden bepaald dat
het recht wederom in het register te worden ingeschreven
eerst zal ingaan zodra de betrokkene aan vooraf te
vervullen bijzondere voorwaarden, in dat besluit
omschreven, zal hebben voldaan.
- 2.
- De voordracht tot een
besluit krachtens het eerste lid wordt gedaan door Onze
Ministers. Alvorens zodanige voordracht wordt gedaan, wint
Onze Minister het advies in van het college dat de
maatregel heeft opgelegd.
- 1.
- Het college van medisch
toezicht telt twee rechtsgeleerde leden, van wie één
tevens voorzitter is, alsmede drie leden-artsen. Van het
college maken mede deel uit plaatsvervangende
rechtsgeleerde leden, benevens plaatsvervangende
leden-artsen.
- 2.
- Aan de behandeling van
een zaak wordt deelgenomen door de voorzitter, door het
andere rechtsgeleerde lid en door de drie leden-artsen,
een en ander met de mogelijkheid van plaatsvervanging.
- 3.
- Ten aanzien van de
benoeming en het ontslag van de voorzitter en zijn
plaatsvervanger is artikel 55, derde lid, van
overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van de benoeming
en het ontslag van de overige leden en plaatsvervangende
leden is artikel 55, vierde lid, van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de leden-artsen en de
plaatsvervangende leden-artsen worden benoemd uit personen
die als arts ingeschreven staan in het desbetreffende
register.
- 4.
- Het college heeft een
secretaris en een plaatsvervangende secretaris, beiden
rechtsgeleerden. Zij worden bij koninklijk besluit op
voordracht van Onze Ministers benoemd, geschorst en
ontslagen.
- 5.
- Ten aanzien van de leden,
de plaatsvervangende leden, de secretaris en de
plaatsvervangende secretaris is artikel 61 van
overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van de leden en de
plaatsvervangende leden zijn voorts de artikelen 58, 60 en
63 van overeenkomstige toepassing. Ten aanzien van de
leden-artsen en de plaatsvervangende leden-artsen is
bovendien artikel 59 van overeenkomstige toepassing.
- 6.
- Artikel 62 is van
overeenkomstige toepassing.
- 1.
- Het treffen van een
voorziening, bedoeld in artikel 79, tweede lid, wordt door
de inspecteur schriftelijk aan het college van medisch
toezicht voorgedragen. De voordracht dient een
omschrijving van de ter zake dienende feiten en
omstandigheden te bevatten en te vermelden welke der in
artikel 80, eerste lid, bedoelde maatregelen worden
voorgesteld en, zo het een maatregel als in dat lid, onder
a en b, omschreven betreft, de inhoud daarvan.
- 2.
- Van een voordracht als
bedoeld in het eerste lid zendt de voorzitter van het
college een afschrift aan degene op wie de voordracht
betrekking heeft.
- 3.
- De betrokken inspecteur
en degene op wie de voordracht betrekking heeft, kunnen
zich doen vertegenwoordigen door een gemachtigde en zich
doen bijstaan door een raadsman. De gemachtigde moet,
desgevraagd, zijn bevoegdheid aantonen door het overleggen
van een schriftelijke volmacht. Advocaten en procureurs,
als gemachtigden optredende, zijn tot deze overlegging
niet gehouden. De voorzitter van het college van medisch
toezicht kan slechts weigeren een persoon die geen
advocaat of procureur is als gemachtigde of als raadsman
toe te laten, indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat
door de toelating van die persoon een behoorlijke
uitoefening van de rechtspraak zal worden belemmerd. De
weigering wordt door de voorzitter schriftelijk
gemotiveerd.
- 4.
- Na verzending van het
afschrift, bedoeld in het tweede lid, gelast de voorzitter
een vooronderzoek, dat zich mede kan uitstrekken tot
andere dan in de voordracht vermelde feiten en
omstandigheden. De voorzitter draagt het vooronderzoek op
aan een of meer leden of plaatsvervangende leden of aan de
secretaris of plaatsvervangende secretaris van het
college. Degene die het vooronderzoek verricht stelt
degene op wie de voordracht betrekking heeft, en de
inspecteur die de voordracht heeft gedaan, in de
gelegenheid door hem te worden gehoord. Hij kan voorts
getuigen en deskundigen horen; ten aanzien van de getuigen
en deskundigen is artikel 68 van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de oproeping, het
verzoek tot dagvaarding en het doen afleggen van de eed of
belofte geschieden door degene die het vooronderzoek
verricht. Van de uitkomsten van het vooronderzoek wordt
aan de inspecteur mededeling gedaan voordat de zaak ter
rechtszitting in behandeling wordt genomen. Artikel 66,
derde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
- 5.
- Het vooronderzoek wordt
gesloten met verwijzing naar een rechtszitting.
- 6.
- Degene op wie de
voordracht betrekking heeft, en de inspecteur die de
voordracht heeft gedaan, worden in de gelegenheid gesteld
de behandeling van de zaak ter rechtszitting bij te wonen
en tijdens de behandeling te worden gehoord. Zij worden
gedurende een termijn van tenminste zes dagen in de
gelegenheid gesteld van de processtukken kennis te nemen.
De laatste dag van deze termijn ligt tenminste acht dagen
vóór de aanvang van het onderzoek ter rechtszitting.
- 7.
- Ten aanzien van de
getuigen en deskundigen is artikel 68 van overeenkomstige
toepassing.
- 8.
- Tijdens de behandeling
van een zaak ter rechtszitting kan het college een of meer
leden of plaatsvervangende leden, de secretaris of de
plaatsvervangende secretaris opdragen alsnog een
aanvullend vooronderzoek in te stellen. Het vierde lid is
te dezen van overeenkomstige toepassing. Het aanvullende
vooronderzoek wordt gesloten door de zaak wederom naar een
rechtszitting te verwijzen.
- 9.
- Het college kan, indien
het termen daartoe aanwezig acht, de betrokkene
schriftelijk aanzeggen dat het belang van de zaak vordert
dat hij zijn medewerking verleent aan een te zijnen
aanzien door of vanwege een of meer artsen, door het
college hiertoe als deskundigen aangewezen, uit te voeren
geneeskundig onderzoek. De kosten van het onderzoek komen
ten laste van de Staat. Indien de betrokkene de van hem
verlangde medewerking geheel of gedeeltelijk onthoudt, kan
het college bij zijn op de voordracht te geven beslissing
deze omstandigheid in zijn overwegingen betrekken.
- 10.
- Zolang het college zijn
onderzoek van de zaak ter rechtszitting niet heeft beëindigd,
kan de inspecteur de door hem gedane voordracht intrekken,
in welk geval de behandeling van de zaak wordt gestaakt,
tenzij degene op wie de voordracht betrekking heeft
schriftelijk heeft verklaard voortzetting van de
behandeling te verlangen.
Evenzo kan de
inspecteur zijn voordracht zo nodig nog wijzigen of
aanvullen. In zodanig geval wordt aan degene op wie de
voordracht betrekking heeft, een afschrift van de aldus
herziene voordracht verstrekt en wordt deze in de
gelegenheid gesteld alsnog te worden gehoord.
Indien degene
op wie de voordracht betrekking heeft, overlijdt, wordt de
behandeling van de zaak gestaakt.
- 11.
- Binnen twee maanden na
sluiting van het onderzoek ter rechtszitting wordt de
eindbeslissing van het college uitgesproken. De
eindbeslissing strekt hetzij tot het opleggen van een der
in artikel 80, eerste lid, omschreven maatregelen, hetzij
tot het afwijzen van de voordracht. Zij is met redenen
omkleed en wordt op schrift gesteld. Bij de keuze van de
op te leggen maatregel kan het college afwijken van
hetgeen in de voordracht werd voorgesteld, met dien
verstande dat de in artikel 80, eerste lid, onder c,
omschreven maatregel niet dan in overeenstemming met de
voordracht kan worden opgelegd.
- 12.
- Ten aanzien van de
behandeling van de zaak ter rechtszitting en het
uitspreken van de beslissing is artikel 70, eerste, derde
en vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Een
beslissing, strekkende tot het opleggen van een der in
artikel 80, eerste lid, omschreven maatregelen, wordt in
het openbaar uitgesproken. Ten aanzien van een beslissing,
strekkende tot het afwijzen van de voordracht, kan het
college om redenen, aan het algemeen belang ontleend,
bepalen dat zij in het openbaar wordt uitgesproken, met
dien verstande dat zodanige beslissing in elk geval in het
openbaar wordt uitgesproken indien de zaak in een openbare
rechtszitting is behandeld.
- 13.
- Van de eindbeslissing van
het college wordt binnen een week na de uitspraak daarvan,
een afschrift gezonden aan:
- a.
- degene
op wie de voordracht betrekking heeft;
- b.
- de
inspecteur die de voordracht heeft gedaan;
- c.
- de
inspecteurs van het Staatstoezicht op de
volksgezondheid, die daartoe bij algemene maatregel
van bestuur zijn aangewezen;
- d.
- de
secretaris van het centrale tuchtcollege;
- e.
- Onze
Minister, ingeval de beslissing strekt tot het
opleggen van een der in artikel 80, eerste lid,
omschreven maatregelen;
- f.
- Onze
Minister van Defensie, ingeval de beslissing
betrekking heeft op een persoon die militair is.
- 1.
- Tegen een eindbeslissing
van het college van medisch toezicht kan degene op wie de
voordracht betrekking heeft, alsmede de betrokken
inspecteur, binnen zes weken na de dag van verzending van
het afschrift van die beslissing bij het centrale
tuchtcollege beroep instellen.
- 2.
- Ten aanzien van de
samenstelling van het centrale tuchtcollege bij de
behandeling van zodanig beroep is artikel 56, tweede lid,
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
in die bepaling aan leden-beroepsgenoten toegewezen
plaatsen in alle gevallen worden ingenomen door leden of
plaatsvervangende leden van het college, benoemd uit de
personen die in het desbetreffende register als arts
ingeschreven staan.
- 3.
- De artikelen 73, tweede
tot en met zesde lid, en 83, derde en tiende lid, zijn van
overeenkomstige toepassing. In geval van intrekking van
een ingesteld beroep door degene op wie de voordracht
betrekking heeft, wordt de behandeling in beroep gestaakt,
tenzij het college zijn onderzoek van de zaak ter
rechtszitting reeds heeft beëindigd.
- 4.
- Indien een beroepschrift
afkomstig is van een persoon die niet bevoegd is tot het
instellen van beroep, niet tijdig is ingediend of niet
voldoet aan de krachtens het derde lid met overeenkomstige
toepassing van artikel 73, tweede lid, gestelde eisen, kan
het centrale tuchtcollege op voorstel van degene die het
vooronderzoek heeft verricht zonder verder onderzoek, in
raadkamer, een beslissing geven, welke strekt tot het
niet-ontvankelijk verklaren van degene die het beroep
heeft ingesteld. De beslissing is met redenen omkleed en
wordt op schrift gesteld. In andere dan in de eerste
volzin bedoelde gevallen kan de voorzitter, alvorens de
zaak naar een rechtszitting te verwijzen, een
vooronderzoek op de voet van artikel 83, vierde en vijfde
lid, gelasten.
- 5.
- Op de behandeling in
beroep en de uitspraak van de eindbeslissing zijn de
artikelen 74, derde tot en met vijfde lid, en 83, zesde
tot en met negende lid, elfde lid, met uitzondering van de
tweede volzin, en twaalfde lid, van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de beslissing van het
centrale tuchtcollege eveneens in het openbaar wordt
uitgesproken indien de beslissing van het college van
medisch toezicht, waartegen beroep is ingesteld, in het
openbaar werd uitgesproken.
- 6.
- Ten aanzien van de
toezending van afschriften van de eindbeslissing van het
centrale tuchtcollege is artikel 83, dertiende lid, van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een
afschrift mede wordt toegezonden aan het college van
medisch toezicht.
- 7.
- Met betrekking tot de
overeenkomstig het zesde lid juncto artikel 83, dertiende
lid, aan de secretaris van het centrale tuchtcollege
toegezonden afschriften van de beslissingen is artikel 76
van overeenkomstige toepassing.
- 1.
- Ten aanzien van degene
die als beoefenaar van een beroep dat geregeld is in deze
wet of waarvan de opleiding krachtens artikel 34, eerste
lid, is geregeld of aangewezen, is verbonden aan een in
Nederland verblijvend onderdeel van een
bondgenootschappelijke krijgsmacht, blijven ter zake van
de werkzaamheden die hij in de uitoefening van dat beroep
verricht met betrekking tot personeel, behorende tot een
onderdeel van die bondgenootschappelijke krijgsmacht,
alsmede met betrekking tot degenen met wie dat personeel
duurzaam samenleeft, buiten toepassing:
- a.
- het
in artikel 4, tweede lid, gestelde verbod, voor zover
het de titel betreft, waarvan het voeren voorbehouden
is aan degenen die in de op dat beroep betrekking
hebbende hoedanigheid in het desbetreffende register
ingeschreven staan;
- b.
- het
in artikel 35, eerste lid, gestelde verbod, voor zover
het handelingen betreft, waartoe de onder a bedoelde
personen bevoegd zijn;
- c.
- het
in artikel 34, vierde lid, gestelde verbod, voor zover
het de titel betreft waarvan het voeren voorbehouden
is aan degenen die de krachtens artikel 34, eerste
lid, geregelde of aangewezen opleiding tot het
betrokken beroep hebben voltooid.
- 2.
- Voor de toepassing van
artikel 96 wordt de in het eerste lid bedoelde persoon ter
zake van de in dat lid aangegeven werkzaamheden
gelijkgesteld met degene die in het desbetreffende
register ingeschreven staat onderscheidenlijk degene die
een krachtens artikel 34, eerste lid, geregelde of
aangewezen opleiding tot een bepaald beroep heeft
voltooid.
- 3.
- De in het eerste lid
bedoelde persoon die een in deze wet geregeld beroep
uitoefent wordt voor de toepassing van in andere wetten
opgenomen bepalingen, betrekking hebbende op degenen die
in het desbetreffende register ingeschreven staan,
gelijkgesteld met laatstbedoelde personen, voor zover
zulks noodzakelijk is in verband met het verrichten van de
in het eerste lid bedoelde werkzaamheden.
- 1.
- Indien tegen de verdachte
van overtreding van artikel
96 ernstige bezwaren zijn gerezen en de bescherming van
de volksgezondheid dat dringend vordert, is de officier van
justitie, zolang de behandeling ter terechtzitting nog niet
is aangevangen, bevoegd, gehoord de Inspectie voor de
Gezondheidszorg, de verdachte bij aan deze te betekenen
kennisgeving als voorlopige maatregel te bevelen zich van
bepaalde handelingen te onthouden.
- 2.
- De verdachte kan tegen het
bevel binnen veertien dagen na de betekening in beroep komen
bij het gerecht waar de zaak wordt vervolgd of vervolgd zal
worden. Het gerecht beslist zo spoedig mogelijk. De
verdachte wordt gehoord, althans behoorlijk opgeroepen.
- 3.
- Artikel
28, tweede en derde lid, en de artikelen
30 tot en met 32 van de Wet op de economische delicten zijn van overeenkomstige toepassing.
Indien tegen de
verdachte van overtreding van artikel
96 ernstige bezwaren zijn gerezen en de bescherming van de
volksgezondheid dat dringend vordert, kan het met de
behandeling van de zaak belaste gerecht voor de behandeling
ter terechtzitting, op de vordering van het openbaar
ministerie, op de voordracht van de rechter-commissaris, met
het gerechtelijk vooronderzoek belast, en, indien de zaak te
zijner zitting wordt behandeld, mede ambtshalve, de verdachte,
gehoord de Inspectie voor de Gezondheidszorg, als voorlopige
maatregel bevelen zich van bepaalde handelingen te onthouden. Artikel
29, tweede en derde lid, en de artikelen
30 tot en met 32 van de Wet op de economische delicten zijn van overeenkomstige toepassing.
- 1.
- Degene die een beperking
van bevoegdheid of een voorwaarde, overeenkomstig artikel
41, derde lid, onder b, 48,
eerste lid, onder e, 80,
eerste lid, onder b, of 105,
derde lid, onderscheidenlijk overeenkomstig artikel
80, eerste lid, onder a, of 105,
derde lid, opgelegd om door de betrokkene in het
register ingeschreven staande te worden inachtgenomen, niet
naleeft, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie
maanden of geldboete van de tweede categorie.
- 2.
- Op dezelfde wijze wordt
gestraft degene die handelt in strijd met een ingevolge artikel
96a of artikel
96b gegeven bevel zich van bepaalde handelingen te
onthouden.
- 1.
- Degene die, hoewel zijn
inschrijving in het desbetreffende register is geschorst
ten gevolge van een onherroepelijk geworden overeenkomstig
artikel 48, eerste lid, onder d, opgelegde maatregel dan
wel een maatregel, bij wijze van voorlopige voorziening
opgelegd overeenkomstig artikel 80, vijfde lid, tijdens de
duur dier schorsing handelt in strijd met het in artikel
4, tweede lid, of 17, tweede lid, gestelde verbod, wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of
geldboete van de tweede categorie.
- 2.
- Op dezelfde wijze wordt
gestraft degene die, hoewel zijn inschrijving in het
desbetreffende register is doorgehaald ten gevolge van een
onherroepelijk geworden overeenkomstig artikel 48, eerste
lid, onder f, of 80, eerste lid, onder c, opgelegde
maatregel, handelt in strijd met het in artikel 4, tweede
lid, of 17, tweede lid, gestelde verbod.
- 1.
- Indien tijdens het plegen
van een strafbaar feit, omschreven in de artikelen 96,
eerste lid, en 97, nog geen vier jaren zijn verlopen
sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens
een strafbaar feit, omschreven in de artikelen 96 en 97,
onherroepelijk is geworden, kan hechtenis van ten hoogste
zes maanden of geldboete van de derde categorie worden
opgelegd.
- 2.
- Indien tijdens het plegen
van een strafbaar feit, omschreven in artikel 96, tweede
lid, nog geen vier jaren zijn verlopen sedert een vroegere
veroordeling van de schuldige wegens een strafbaar feit,
omschreven in de artikelen 96 en 97, onherroepelijk is
geworden, kan gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of
geldboete van de vierde categorie worden opgelegd.
- 1.
- Ten aanzien van degenen
die de bevoegdheid hadden verkregen of waren toegelaten
tot de uitoefening van een in het vierde lid genoemd
beroep, dan wel een ander in het vijfde lid genoemd beroep
reeds uitoefenden, dan wel de bevoegdheid hadden verkregen
tot het voeren van de titel van verpleegkundige vóór het
tijdstip waarop artikel 3, eerste lid, ten aanzien van het
desbetreffende beroep in werking is getreden, blijven
gedurende zes maanden na dat tijdstip en, indien binnen
dat tijdstip overeenkomstig het bij en krachtens artikel 5
bepaalde een aanvrage voor inschrijving in het
desbetreffende register is ingediend, ook nadien totdat op
hun aanvrage onherroepelijk is beslist, buiten toepassing:
- a.
- het
in artikel 4, tweede lid, gestelde verbod, voor zover
het de titel betreft, waarvan het voeren voorbehouden
is aan degenen die in de op dat beroep betrekking
hebbende hoedanigheid in het desbetreffende register
ingeschreven staan;
- b.
- het
in artikel 35, eerste lid, gestelde verbod, voor zover
het handelingen betreft waartoe de onder a bedoelde
personen op dat tijdstip bevoegd zijn.
- 2.
- Ingeval een aanvrage als
bedoeld in het eerste lid wordt ingediend na het
verstrijken van de in dat lid bedoelde termijn, is, indien
voor deze vertraging een aannemelijke oorzaak aanwezig is
en de aanvrage is ingediend binnen twee maanden nadat de
oorzaak heeft opgehouden te werken, vanaf de datum van
indiening van de aanvrage het eerste lid van
overeenkomstige toepassing.
- 3.
- De in de aanhef van het
eerste lid bedoelde personen zijn, indien de in dat lid,
onder a, bedoelde personen aan tuchtrechtspraak
overeenkomstig deze wet onderworpen zijn, eveneens aan
bedoelde rechtspraak onderworpen en worden voor de
toepassing van artikel 96 gelijkgesteld met degenen die in
het desbetreffende register ingeschreven staan.
- 4.
- De in het eerste lid
bedoelde beroepen zijn die van:
arts,
tandarts,
apotheker,
fysiotherapeut,
verloskundige.
- 5.
- De in het eerste lid
bedoelde andere beroepen zijn die van:
gezondheidszorgpsycholoog,
psychotherapeut.
- 6.
- De in het eerste lid
bedoelde personen worden voor de toepassing van in andere
wetten opgenomen bepalingen, betrekking hebbende op
degenen die in het desbetreffende register ingeschreven
staan, gedurende de in het eerste lid bedoelde periode
gelijkgesteld met degenen die in dat register ingeschreven
staan.
- 1.
- Degenen die de
bevoegdheid hadden verkregen of waren toegelaten tot de
uitoefening van een in artikel 104, vierde lid, genoemd
beroep, dan wel de bevoegdheid hadden verkregen tot het
voeren van de titel van verpleegkundige vóór het
tijdstip waarop artikel 3, eerste lid, ten aanzien van het
desbetreffende beroep in werking is getreden, wordt
inschrijving in het desbetreffende register niet geweigerd
vanwege het niet voldoen aan de ter zake van de genoten
opleiding bij of krachtens hoofdstuk III voor inschrijving
in dat register gestelde eisen.
- 2.
- Met de in het eerste lid
bedoelde personen worden gelijkgesteld degenen die een op
de bekwaamheid tot de uitoefening van een daar bedoeld
beroep dan wel op het voeren van de daar bedoelde titel
betrekking hebbend getuigschrift hebben verkregen ter
afsluiting van een wettelijk geregelde opleiding welke vóór
het tijdstip waarop artikel 3, eerste lid, ten aanzien van
het desbetreffende beroep in werking is getreden, is
aangevangen en eerst nadien is voltooid.
- 3.
- Ingeval de in het eerste
lid bedoelde bevoegdheid of toelating onder beperkingen of
voorwaarden is verleend, mag de betrokkene, in het
register ingeschreven staande, het desbetreffende beroep
slechts uitoefenen met inachtneming van die beperkingen of
voorwaarden. Bij inschrijving van de betrokkene in het
register wordt in de in de vorige volzin bedoelde gevallen
in het register een aantekening geplaatst, inhoudende een
omschrijving van die beperkingen of voorwaarden. Indien de
bevoegdheid of de toelating voor een bepaalde tijd is
verleend, wordt de inschrijving van de betrokkene na
afloop van die tijd doorgehaald. Artikel 12 is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de in de tweede
volzin bedoelde aantekening.
- 4.
- Het derde lid, eerste
volzin, is niet van toepassing ten aanzien van:
- a.
- de in
artikel 7, eerste volzin, van de Wet van 24 juni 1876,
Stb. 117, bedoelde tandartsen;
- b.
- degenen
aan wie een met de bevoegdheid van de onder a bedoelde
tandartsen overeenkomende bevoegdheid of toelating
krachtens artikel 7a en 7d van de onder a genoemde wet
was verleend;
- c.
- degenen
die krachtens artikel 1 van de Wet van 18 december
1957, Stb. 589, waren toegelaten tot het uitoefenen
van de tandheelkundige praktijk in Nederland.
- 1.
- Degenen die vóór het
tijdstip waarop artikel 3, eerste lid, ten aanzien van het
beroep van psychotherapeut in werking is getreden, een op
de bekwaamheid tot de uitoefening van het beroep van
psychotherapeut gerichte opleiding dan wel de opleiding
tot psychiater hebben voltooid en die niet voldoen aan de
krachtens artikel 26, eerste lid, gestelde eisen voor
inschrijving in het register van psychotherapeuten, wordt
inschrijving in dat register deswege niet geweigerd indien
de aanvrage is ingediend overeenkomstig artikel 104,
eerste of tweede lid, en Onze Minister heeft verklaard dat
hun verworven vakbekwaamheid voor de toepassing van deze
wet geacht kan worden gelijkwaardig te zijn aan de
vakbekwaamheid welke uit het voldoen aan vorenbedoelde
eisen kan worden afgeleid.
- 2.
- Met de in het eerste lid
bedoelde personen worden gelijkgesteld degenen die een in
dat lid bedoelde opleiding hebben gevolgd welke vóór het
in dat lid bedoelde tijdstip is aangevangen en eerst
nadien is voltooid.
- 3.
- De beoordeling of de
vakbekwaamheid van een persoon als bedoeld in het eerste
lid voor de toepassing van deze wet geacht kan worden
gelijkwaardig te zijn aan die welke mag worden afgeleid
uit het voldoen aan de krachtens artikel 26, eerste lid,
gestelde eisen, geschiedt aan de hand van het bezit van
door Onze Minister aangewezen getuigschriften.
- 1.
- Voor de toepassing van de
artikelen 34, vierde lid, en 96 worden met degenen die een
krachtens artikel 34, eerste lid, geregelde of aangewezen
opleiding tot een beroep dat ook wettelijk geregeld was vóór
de datum van inwerkingtreding van artikel 34, hebben
voltooid, gelijkgesteld:
- a.
- personen
die vóór het tijdstip waarop voor het desbetreffende
beroep een algemene maatregel van bestuur krachtens
artikel 34, derde lid, in werking treedt de
bevoegdheid hadden verkregen tot de uitoefening van
het desbetreffende beroep dan wel de bevoegdheid
hadden verkregen tot het voeren van een op dat beroep
betrekking hebbende titel;
- b.
- personen
die een wettelijk geregelde opleiding tot het
desbetreffende beroep vóór het tijdstip waarop voor
dat beroep een algemene maatregel van bestuur
krachtens artikel 34, derde lid, in werking treedt,
hebben aangevangen en nadien hebben voltooid;
- c.
- personen,
andere dan de onder a en b bedoelde, die het
betreffende beroep hebben uitgeoefend gedurende een
aaneengesloten periode van tenminste zes maanden in
het tijdvak van vijf jaren, onmiddellijk voorafgaande
aan het tijdstip waarop voor dat beroep een algemene
maatregel van bestuur krachtens artikel 34, derde lid,
in werking treedt en ten aanzien van wie Onze Minister
op hun daartoe strekkende aanvrage heeft verklaard dat
hun verworven vakbekwaamheid geacht kan worden
gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig te zijn aan de
vakbekwaamheid welke uit het voltooid hebben van de
krachtens artikel 34, eerste lid, geregelde of
aangewezen opleiding tot het desbetreffende beroep kan
worden afgeleid.
- 2.
- De beoordeling of de
vakbekwaamheid van een persoon als bedoeld in het eerste
lid, onder c, geacht kan worden gelijkwaardig of nagenoeg
gelijkwaardig te zijn aan die welke mag worden afgeleid
uit het voltooid hebben van de krachtens artikel 34,
eerste lid, geregelde of aangewezen opleiding tot het
desbetreffende beroep, geschiedt aan de hand van het bezit
van door Onze Minister aangewezen getuigschriften, door
het afnemen van een proef, of, ter beoordeling van Onze
Minister, op andere wijze, eventueel nadat de betrokkene
gelegenheid is gelaten tot het volgen van aanvullende
opleiding.
- 3.
- Een aanvrage als bedoeld
in het eerste lid, onder c, is slechts ontvankelijk indien
zij wordt ingediend binnen zes maanden na het tijdstip
waarop een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
artikel 34, derde lid, ten aanzien van het desbetreffende
beroep in werking is getreden. Later ingediende aanvragen
kunnen slechts in behandeling worden genomen indien een
aannemelijke oorzaak voor de vertraging aanwezig is, en in
dat geval slechts binnen twee maanden nadat de oorzaak
heeft opgehouden te werken.
Voor de
toepassing van de artikelen 34, vierde lid, en 96 worden met
degenen die een krachtens artikel 34, eerste lid, geregelde of
aangewezen opleiding tot een beroep dat niet wettelijk
geregeld was vóór de datum van inwerkingtreding van artikel
34, hebben voltooid, gelijkgesteld: personen wier verworven
vakbekwaamheid, gelet op het bezit van een door Onze Minister
aangewezen getuigschrift, geacht kan worden gelijkwaardig of
nagenoeg gelijkwaardig te zijn aan de vakbekwaamheid welke uit
het voltooid hebben van de krachtens artikel 34, eerste lid,
geregelde of aangewezen opleiding tot het desbetreffende
beroep kan worden afgeleid.
- 1.
- Aan degene die vóór het
tijdstip waarop dit artikel in werking is getreden de
bevoegdheid tot uitoefening van heilgymnastiek en massage
hadden verkregen krachtens artikel
8, eerste lid, van de Wet op de paramedische beroepen (Stb. 1963, 113) dan wel op de in artikel 41, tweede of
vierde lid, van die wet omschreven voet, is het recht
voorbehouden de titel van heilgymnast-masseur te voeren.
- 2.
- Het is degene wie het
recht tot het voeren van de in het eerste lid geregelde
titel niet toekomt, verboden die titel of een daarop
gelijkende benaming te voeren.
- 3.
- Tot het gebied van
deskundigheid van de personen, bedoeld in het eerste lid,
wordt gerekend het verrichten van bij algemene maatregel
van bestuur te omschrijven handelingen op het gebied van
de bewegingstherapie en de massagetherapie, voor zover zij
liggen op het gebied van de geneeskunst en het verrichten
ervan geschiedt op grond van een door een arts afgegeven
verwijzing die aan bij de maatregel te stellen eisen
voldoet.
- 4.
- Tot het gebied van
deskundigheid van de personen, bedoeld in het eerste lid,
wordt mede gerekend het verrichten van handelingen,
rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe
strekkende diens gezondheidstoestand te bevorderen of te
bewaken, welke overeenkomen met de handelingen, bedoeld in
het derde lid, doch niet liggende op het gebied van de
geneeskunst.
- 1.
- Ingeval overeenkomstig de Medische Tuchtwet bij onherroepelijk geworden beslissing de in artikel 5,
eerste lid, onder 4°, van die wet vermelde maatregel is
opgelegd, wordt deze naar zijn rechtsgevolgen
gelijkgesteld met een krachtens artikel 48, eerste lid,
onder d, opgelegde maatregel.
- 2.
- Ingeval overeenkomstig de Medische Tuchtwet bij onherroepelijk geworden beslissing de in artikel 5,
eerste lid, onder 5°, van die wet vermelde maatregel is
opgelegd, wordt deze naar zijn rechtsgevolgen
gelijkgesteld met een krachtens artikel 48, eerste lid,
onder f, of artikel 80, eerste lid, onder c, dan wel met
een krachtens artikel 48, derde lid, opgelegde maatregel,
zulks naar gelang de betrokkene op het tijdstip van
onherroepelijk worden van bedoelde beslissing al dan niet
in het desbetreffende register ingeschreven stond.
De Wet van 1 juni
1865, Stb. 60, regelende de uitoefening der geneeskunst,
de Wet van 24
juni 1876, Stb. 117, houdende regeling van de voorwaarden tot
verkrijging der afzonderlijke bevoegdheid tot uitoefening der
tandheelkunst en van de uitoefening dier kunst,
de Wet van 25
december 1878, Stb. 222, houdende regeling der voorwaarden tot
verkrijging der bevoegdheid van arts, tandarts, apotheker,
vroedvrouw en apothekersbediende,
de Wet tot
bescherming van het diploma van verpleegkundige (Stb. 1921,
702),
de Wet van 30
december 1926, Stb. 454, tot herziening van de uitvoering van
de Wet van 29 juni 1925, Stb. 282 (volledige tandprothese),
de Medische
Tuchtwet (Stb. 1928, 222),
de Wet van 18 mei
1929, Stb. 257, tot het in de gelegenheid stellen van hen, die
ingevolge de wet van 30 december 1926 (Stb. 454) geen visum op
hun bewijs van vestiging hebben ontvangen, om alsnog van hun
practische bekwaamheid te doen blijken,
de Wet van 13 mei
1939, Stb. 801, tot nadere voorzieningen inzake de
tandheelkunde,
de Wet van 11
juli 1957, Stb. 330, houdende aanvullende bepalingen tot het
verlenen van de bevoegdheid van tandheelkundige,
de Wet van 18
december 1957, Stb. 589, tot regeling van de toelating van in
Indonesië bevoegde Nederlandse tandartsen en vroedvrouwen tot
de uitoefening van de praktijk in Nederland,
de Wet
op de paramedische beroepen (Stb. 1963, 113),
de Wet
op de ziekenverzorgers en ziekenverzorgsters (Stb.
1963, 289), alsmede de Wet
inzake de tandprothetici (Stb. 1989, 329) worden
ingetrokken.

BRON:
http://www.overheid.nl
|
|